Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok·ken

Zelfstandig naamwoord

bokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bok
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bokken
bokte
gebokt
zwak -t volledig

Werkwoord

bokken

  1. inergatief mokken omdat men zich verongelijkt voelt
  2. inergatief (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
  3. (gewestelijk) zich vooroverbuigen, bukken.
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be