Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Nummer
  • num·mer
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘cijfer’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1][2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nummer nummers
verkleinwoord nummertje nummertjes

het nummero

  1. een aanduiding met een getal
  2. lied
    • Op zijn nieuwe album staat voor het eerst een Engelstalig nummer. 
     Met elk drankje voelde ik me meer op mijn gemak en begon luidkeels mee te zingen met de bekende nummers die de band speelde.[3]
  • Op zijn nummer zetten
zeer duidelijk maken dat iets erg ongewenst is
vervoeging van
nummeren

nummer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nummeren
    • Ik nummer. 
  2. gebiedende wijs van nummeren
    • Nummer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nummeren
    • Nummer je? 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]