hermelijn

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·me·lijn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘marterachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hermelijn hermelijnen
verkleinwoord hermelijntje hermelijntjes

Zelfstandig naamwoord

hermelijn

  1. m (roofdieren) bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea  
  2. o pels van de hermelijn, Mustela erminea  
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen