contract

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tract
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schriftelijke overeenkomst’ voor het eerst aangetroffen in 1391.[1]
  • Leenwoord uit Oudfrans contract ‘overeenkomst’, overgenomen uit middeleeuws juridisch Latijn contractus, verleden deelwoord van contrahere ‘samentrekken, tot stand brengen, (een zaak) afsluiten’.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord contract contracten
verkleinwoord contractje contractjes

Zelfstandig naamwoord

contract o

  1. (juridisch) een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
    • Na een lange onderhandeling is het contract eindelijk ondertekend. 
     Veel van zijn werk handelt hij via de computer af. Contracten, afspraken. . .[3]
  2. (Belgisch, juridisch) overeenkomst
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen