• bru·to
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘bijwoord: met emballage, zonder aftrek van kortingen’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
  • uit het Italiaans: brutto of bruto "ruw" [2]

bruto

  1. (van gewicht) met de verpakking samen
    • Door de stevige verpakking woog de zending bruto meer dan een kilo. 
  2. (van opbrengst) zonder aftrek van kortingen of onkosten
    • Ondanks de hoge bruto opbrengst was er toch een verlies door de hoge kosten die gemaakt waren. 
  3. (van inkomsten)voor aftrek van de belastingen
    • Hij verdient bruto meer dan een miljoen per jaar met optredens. 
stellend
onverbogen bruto
verbogen -
  1. (van goud en zilver) met een vreemd metaal vermengd
    • Is dit bruto zilver? 
98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]


  • bru·to

bruto

  1. bruto


  enkelvoud meervoud
mannelijk bruto brutos
vrouwelijk bruta brutas

bruto

  1. stom, dom
  2. onbewerkt, ruw
  3. bruto