Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boos
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘slecht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
  • In de betekenis van ‘toornig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1740 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen boos bozer boost
verbogen boze bozere booste
partitief boos bozers -

Bijvoeglijk naamwoord

boos

  1. een emotie waarbij men zeer negatief is en men vaak de ander de schuld geeft
    • De ontzettend boze man wist zichzelf in te houden. 
    • Wanneer iemand buitengewoon boos is wordt dat woedend genoemd. 
     Ze keek me boos aan en reed weer weg. Ik schrok van haar agressieve voorkomen en was eigenlijk wel blij dat de auto wegreed.[2]
  2. kwaad, tegen de moraal
    • De Grote Boze Wolf is een bekend spookjesfiguur. 
     Haar eerste optreden in de grote, boze, enge wereld was redelijk succesvol geweest.[3]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 "boos" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Cornisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Cognaat met het Welsh bwyd en het Bretonse boued.
enkelvoud meervoud
  boos     bosow  

Zelfstandig naamwoord

boos m

  1. (voeding) eten, voedsel, voeding
  2. (voeding) maal, maaltijd
  3. (voeding) proviand


Engels

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

boos mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boo
Gelijkklinkende woorden