• touw
  • In de betekenis van ‘koord’ voor het eerst aangetroffen in 1286 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord touw touwen
verkleinwoord touwtje touwtjes

het touwo

  1. een middel om zaken bij elkaar te binden
    • Een touw bestaat doorgaans uit meerdere in elkaar gevlochten draden. 
     Toen ik aankwam bij het vuurtje zag ik tot mijn verbazing twee paarden aan een lang touw grazen, met verder niemand in de buurt.[3]
  • aan de touwtjes trekken
    bepalende invloed hebben op het gedrag van anderen (verwijst naar marionet)
 En als nu de zogenaamde raadgevers van de KGB, of was het de NKVD in die tijd, die achter de schermen aan de touwtjes trokken bij het Slânskj-proces, als schurken werden bestempeld, dan werd ook de Sovjet-Unie schurkachtig genoemd, of niet? Tot zover knikte iedereen bedachtzaam instemmend.[4]
iets niet begrijpen
•  Het afgelopen jaar zag de buurvrouw het gezin steeds minder. ,,Ik voel me een beetje schuldig dat ik nooit iets gezegd heb over de vreemde dingen die ik zag”, gaat ze verder. ,,Er was iets niet in de haak. Ik kon er geen touw aan vastknopen. Maar iets zoals dit had ik echt nooit verwacht.” [5] 
vervoeging van
touwen

touw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van touwen
    • Ik touw. 
  2. gebiedende wijs van touwen
    • Touw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van touwen
    • Touw je? 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]