meertouw


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • meer·touw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meertouw meertouwen
verkleinwoord meertouwtje meertouwtjes

Zelfstandig naamwoord

meertouw o [1]

  1. (scheepvaart) kabel waarmee men een schip vastgemaakt aan de wal
    • Door de hevige wind waren de meertouwen van de Aurora Australis losgeraakt en liep het schip vast in West Arm, aan Horseshoe Harbour [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen