kartouw

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kar·touw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kartouw kartouwen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kartouw v / m [2]

  1. (militair) een 16e/17e-eeuws gietijzeren of bronzen kanon met een relatief korte loop

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen