touwtrekken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • touw·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
touwtrekken
-
-
onvolledig

Werkwoord

touwtrekken

  1. ruzie maken over een verdeling, strijden over een verdeling, onderhandelen over een verdeling
    • Over de kostenverdeling moesten de twee partijen nog dagenlang touwtrekken, maar uiteindelijk ging iedereen tevreden naar huis. 
    • Touwtrekkend over ieder deel van de inventaris ging het scheidende echtpaar uit elkaar. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be