Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • star
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen star starder starst
verbogen starre stardere starste
partitief stars starders -
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘beroemd acteur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1931 [1]
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘strak, stijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]

Bijvoeglijk naamwoord

star

  1. verstijfd en onbuigzaam
    • De starre houding van de apartheidsregering leidde tot haar isolement. 
     Misschien ligt het aan mij, maar veel mannen worden met het verstrijken van de jaren star en steeds minder flexibel.[2]
     Ik was er op een bepaalde manier altijd trots op geweest dat ik nog nooit een joint had gerookt, maar realiseerde me dat dit misschien wel de starre houding van een oude man was geworden.[2]
Afgeleide begrippen
Anagrammen
1 enkelvoud meervoud
naamwoord star starren
verkleinwoord starretje starretjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord star stars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

star v/m

  1. (verouderd) ster
  2. beroemde acteur of actrice

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

star

  1. (astronomie) ster
  2. (persoon) ster
Anagrammen


Oppersorbisch

Zelfstandig naamwoord

star m

  1. (persoon) ster