verstarren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·star·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van star met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verstarren
verstarde
verstard
zwak -d volledig

Werkwoord

verstarren

  1. ergatief star of vast worden
    • De lava is inmiddels verstard. 
  2. ergatief overdrachtelijk verharden gewoonlijk van gelaatstrekken of blik
    • Zijn ogen verstarden en hij overleed. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be