Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

[A] poep m

  1. uit de darmen uitgescheiden afvalstoffen van mens of dier
    • Hij stapte met zijn schoen in de poep van een hond. 
  2. (spreektaal) onzin
    • Jij praat poep. 
  3. (pejoratief) waardeloos, walgelijk gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel
    • Die stomme poepzak zit zich weer vol te vreten. 
  4. versterkend voorvoegsel heel erg, gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel
    • Die merkkleding is poepduur. 
Opmerkingen

Deze betekenissen zijn in Nederland gangbaarder dan in Vlaanderen, zie poep v / m

Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
4. heel erg
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
poepen

[A] poep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Ik poep. 
  2. gebiedende wijs van poepen
    • Poep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Poep je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

[B] poep v / m

  1. achterwerk, bips
    • Vindt u mijn poep niet te dik in deze rok? 
Opmerkingen

Deze betekenis is in Vlaanderen gangbaarder dan in Nederland, zie poep m

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
poepen

[B] poep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Ik poep. 
  2. gebiedende wijs van poepen
    • Poep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Poep je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

[C] poep m

  1. (pejoratief) (geschiedenis) werkzoekende uit Westfalen
     Hans Poep en staet het boerten niet wel aen
    Al is hij een Boer, hy en can gheen boert verstaen.
    [7]
  2. (pejoratief) (geschiedenis) iemand uit Duitsland
  3. (pejoratief) (geschiedenis) iemand die buiten de eigen groep staat
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. poep op website: Etymologiebank.nl
  3. poep op website: Etymologiebank.nl
  4. 2 op website: Etymologiebank.nl
  5. poep op website: Etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7.   Weblink bron Roemer Visscher   Het eerste schock van de quicken. (1614) in: N. van der Laan ed. Uit Roemer Visscher's Brabbeling. Deel 1. (1918), A. Oosthoek, Utrecht, p. 16 nr. 51
  8.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be