• be·ver
enkelvoud meervoud
naamwoord bever bevers
verkleinwoord bevertje bevertjes

de beverm

  1. (knaagdieren), benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor  , met platte staart die meestal in het water vertoeven, Castor fiber   of Castor canadensis  
     Vol ongeduld wachten ze op topsoorten als otter en bever, ze gaan op zoek naar ringslangen en duiken onder water voor snoeken, ze speuren naar ringslangen en zilvermeeuwen.[4]
  2. (scouting) jongste leeftijdsgroep bij de padvinders (6 - 8 jaren)
     Bevers mogen drie keer komen kijken voor ze besluiten om lid te worden van de scoutinggroep.[5]
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]


enkelvoud meervoud
naamwoord   bever     bevered  

bever m

  1. (knaagdieren) bever


enkelvoud meervoud
  bever     bevers  

bever m

  1. (knaagdieren) bever


bever

  1. (knaagdieren) bever


  • be·ver
  • Afkomstig uit het Nederduits.
Naar frequentie 12092
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bever     beveren     bevere
bevre
bevrer  
  beverne
bevrene  
genitief   bevers     beverens     beveres
bevres
bevrers  
  bevernes
bevrenes  

bever, m

  1. (knaagdieren) bever (dier)
  2. bever (padvindergroep)
  • [1]: en kåpe av bever
een bevermantel


  • be·ver
  • Afkomstig uit het Nederduits.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bever     beveren     beverar     beverane  

bever, m

  1. (knaagdieren) bever (dier)
  2. bever (padvindergroep)
  • [1]: en kåpe av bever
een bevermantel