Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zicht
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Naamwoord van handeling van zien (met het achtervoegsel -t); Middelnederlands sicht, ontwikkeld uit Oergermaans *sih(w)ti- ‘aanblik; het zien’, abstractum bij de wortel van *sehwan- ‘zien’ (zie aldaar). Evenals Nederduits, Duits Sicht en Engels sight.[1]
  • [B] In de betekenis van ‘soort zeis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350.[2] Middelnederlands sichte, ontwikkeld uit Oergermaans *segiþō- ~ *segiþia, afleiding van *seg- ‘snijden’ (waarvoor zie zaag, zegge).[3] Evenals Nederduits Sicht ‘sikkel’, Engels scythe ‘zeis’ en IJslands sigð ‘sikkel’.
1 enkelvoud meervoud
naamwoord zicht -
verkleinwoord zichtje zichtjes

Zelfstandig naamwoord

[A] zicht o

  1. de afstand die je kunt kijken door de lucht [1]
    • Vanaf het balkon hebben we vrij zicht op het haventerrein. 
  2. gezichtsvermogen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
2 enkelvoud meervoud
naamwoord zicht zichten
verkleinwoord zichtje zichtjes

Zelfstandig naamwoord

[B] zicht v/m

  1. (landbouw), (gereedschap) kleine zeis [3]
    • Gras maait men met de zeis, haver met een zicht. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
zichten

zicht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zichten
  2. gebiedende wijs van zichten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen