vaardigheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaar·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaardigheid vaardigheden
verkleinwoord vaardigheidje vaardigheidjes

Zelfstandig naamwoord

vaardigheid v

  1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
    • Zij heeft de vaardigheid goed met kinderen om te kunnen gaan. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be