Nederlands

 
[1] duiker
 
[1] duiker
 
[2] Podiceps auritus
 
[3] duiker
 
[4] duiker waterweg
Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duiker duikers
verkleinwoord duikertje duikertjes

Zelfstandig naamwoord

duiker m

  1. (beroep) iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft, het duiken, kikvorsman
  2. (vogels) een vogel uit het geslacht Podiceps  
  3. (evenhoevigen) Sylvicapra grimmia   Afrikaanse antilope, behorende tot de onderfamilie der duikers Cephalophinae  , duikerbok
  4. (waterbeheer), (techniek) een kokervormige constructie, gelegen onder wegen of andere constructies, die is bedoeld om wateren met elkaar te verbinden; grondduiker
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be