ijsduiker

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·dui·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsduiker ijsduikers
verkleinwoord ijsduikertje ijsduikertjes

Zelfstandig naamwoord

ijsduiker

  1. (duikers) bepaald soort vogel Gavia immer  , uit het geslacht Zeeduikers
  2. (sport) een persoon die de duiksport beoefent onder ijs
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be