• va·gi·na
enkelvoud meervoud
naamwoord vagina vagina's
verkleinwoord vaginaatje vaginaatjes

de vaginav / m

  1. (anatomie) (seksualiteit) vrouwelijke geslachtsorgaan dat de baarmoeder met de buitenkant van het lichaam verbindt
    • Indien u last krijgt van de vagina dient u bij een dokter langs te gaan. 
onderlichaam van een vrouw (in doorsnede)
 
1  eileider  · 2  eileiderfranje  · 3  blaas  · 4 schaambeen  · 5  g-plek  · 6  urinebuis  · 7  clitoris  · 8  voorhof  · 9  binnenste schaamlippen  · 10  buitenste schaamlippen  · 11  eierstok  · 12  dikke darm  · 13  baarmoeder  · 14  schedegewelf  · 15  baarmoederhals  · 16  endeldarm  · 17  vagina  · 18  anus  · 19  klier van Bartholin 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]


vagina

  1. (anatomie) vagina


  • va·gi·na

vagina

  1. (anatomie) vagina


vagina

  1. (anatomie) vagina


vagina

  1. (anatomie) vagina


enkelvoud meervoud
vagina vaginas

vagina v

  1. (anatomie) vagina


enkelvoud meervoud
vagina vaginas

vagina v

  1. (anatomie) vagina