• tijd·schrift
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdschrift tijdschriften
verkleinwoord tijdschriftje tijdschriftjes

het tijdschrifto

  1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
     Mijn vrouw had vroeger een abonnement op de Vrekkenkrant (een tijdschrift dat een eenvoudige en zuinige levenswijze wilde promoten.[3]
      Voorts besloot men, op voorstel van den President, dat een Programma zou worden opgesteld ter bekendmaekinge van de uitgekozene Prijsvraeg, 't welk, even als in 't voorgaande Jaer, gedrukt, den Leden der Maetschappije medegedeeld, en in de openbaere Nieuwspapieren, en in- en buitenlandsche Tijdschriften, zal aengekondigd worden; (…)[4]
  2. (verouderd) (dichtkunst) vers waarin de letters die ook Romeinse cijfers zijn kunnen worden opgeteld tot een jaartal dat betekenis heeft die verband houdt met de strekking van het vers
  3. (verouderd) (geschiedenis) document waarin van jaar tot jaar de belangrijkste gebeurtenissen worden beschreven
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. tijdschrift op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron
    Hendrik Twent
    “Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, gehouden den 11. van Hooimaand 1775.” (1775), Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Leiden, p. 21 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren  
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be