tijdvers

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·vers
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdvers tijdverzen
verkleinwoord tijdversje tijdversjes

Zelfstandig naamwoord

tijdvers

  1. (dichtkunst) vers waarin men enige letters als Romeinse cijfers beschouwt en daarmee een jaartal uitdrukt
  2. vers over de tijdsomstandigheden
Synoniemen

Gangbaarheid