Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Sei
Telwoord (eus)
1 11 10
2 12 20
3 13
4 14
5 15
6 16
7 17
8 18
9 19

sei

  1. zes


  • sei

sei

  1. enkelvoud gebiedende wijs bedrijvende vorm van sein: wees
  2. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aanvoegende wijs bedrijvende vorm van sein: kan zijn, moge zijn, zij
  3. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aanvoegende wijs bedrijvende vorm van sein: kan zijn, moge zijn, zij


       
0 0 0 6
sei,
op een abacus


Telwoord (Italiaans)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
1066 1069 1072 1075 1099 10100 10120 10303 103003
  • sei

sei

  1. zes, het getal 6


  • sei

sei

  1. gebiedende wijs van seie


  • sei

sei

  1. derde persoon enkelvoud:
    1. m: zijn
    2. v: haar
    3. o: zijn
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
hele vervoeging zie sei/vervoeging
onbepaalde
wijs
sei
verleden
tijd
(er) waar
voltooid
deelwoord
gewest
enkelvoud meervoud
1e persoon ich bin mir / mer sin
2e persoon du bischt dihr / der
dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
seid
sin
sind
seid
sin
sin
3e persoon er iss sie sin
sie iss
es iss

sei

  1. zijn
    «Wie alt bischt du?»
    Hoe oud ben je?