Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bost

Werkwoord

vervoeging van
bossen

bost

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bossen
    • Jij bost. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bossen
    • Hij bost. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van bossen
    • Bost! 

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Baskisch

Telwoord (eus)
1 11 10
2 12 20
3 13
4 14
5 15
6 16
7 17
8 18
9 19

Hoofdtelwoord

bost

  1. vijf