Nederlands

 
einde van de bebouwde kom
Uitspraak
Woordafbreking
  • ein·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘laatste gedeelte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord einde einden, eindes
verkleinwoord eindje eindjes

Zelfstandig naamwoord

einde o [2]

  1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
    • Aan het einde van de straat wacht er iemand op me. 
     Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde. Er leek geen einde aan te komen, maar het was altijd gezellig om de avonturen van de dag te bespreken.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ten einde raad zijn
niet meer weten wat je moet doen
  • iets of iemand het einde vinden
iets of iemand heel goed vinden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen