drietal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drie·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord drietal drietallen
verkleinwoord drietalletje drietalletjes

Zelfstandig naamwoord

drietal o

  1. welgeteld drie
    • Er werd een drietal redenen genoemd. 
  2. een groep van drie
    • Het vrolijke drietal liep lachend weg. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be