negental

Een zwaan met een negental zwanenjongen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·gen·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord negental negentallen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

negental o [1]

  1. negen personen of zaken
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen