Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bevel bevelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bevel o

  1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak; verbaal geuit gebod
    • Dat is een bevel, soldaat!! 
     De dwingende stem liet het verzoek als een bevel klinken.[2]
  2. gezag om een groep mensen te leiden; commando; commandement
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. bevel op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be