Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zag
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘macht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gezag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezag o

  1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
    • Hij heeft niet voldoende gezag om dat voorstel aan te nemen. 
  1. aanzien; voldoende kennis hebben om ergens een gefundeerd oordeel over te hebben
    • Het gezag van een voetbaltrainer is vaak bepalend voor zijn succes. 
     Militaire sabotage van die orde van grootte betekende dat Zweden nu ook bij de oorlog betrokken was, verklaarde Oscar met gezag.[3]
  2. de overheid; zij die de wettige macht bezitten
    • "Criminelen ondermijnen gezag in 34 gemeenten" [4] 
    • Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. [5] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen