• wond
  • In de betekenis van ‘kwetsuur’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wond wonden
verkleinwoord wondje wondjes

de wondv / m

  1. (medisch) een beschadiging in of aan het lichaam
    • Door zijn val had hij een diepe wond in zijn been. 
     Als ik soms tot wel twee weken achter elkaar in de wildernis zou moeten overleven, zou het goed zijn als ik wist hoe ik mijn eigen wonden moest dichtnaaien zoals Rambo.[3]
  • Een pleister op de wond
Iets troostends, iets wat het ervaren leed min of meer verzacht (maar anderzijds geen definitieve oplossing of uitweg biedt)
  • De wonden likken
Proberen de opgelopen schade of verwondingen te herstellen
 Maar Duitsland spaarde hen en liet hen ongestoord naar hun eiland vliegen om hun wonden te likken.[4]
Een aanpak die te voorzichtig is maakt het probleem juist erger
  • Zout in de wond strooien
Iets wat toch al vervelend is nog eens extra benadrukken of nog meer verergeren
vervoeging van
winden

wond

  1. enkelvoud verleden tijd van winden
    • Ik wond. 
    • Jij wond. 
    • Hij, zij, het wond. 
vervoeging van
wonden

wond

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonden
    • Ik wond. 
  2. gebiedende wijs van wonden
    • Wond! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonden
    • Wond je? 
stellend
onverbogen wond
verbogen wonde
partitief wonds

wond [5]

  1. gewond
99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[6]