weerstand

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·stand
Woordherkomst en -opbouw
1,3 enkelvoud meervoud
naamwoord weerstand weerstanden
verkleinwoord weerstandje weerstandjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord weerstand -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

weerstand m

  1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken, tegenstand
    • Bij zijn pogingen het beleid te wijzigen ondervond hij bijzonder veel weerstand. 
     Ze trokken langzaam hun kleren uit, ze deed niet eens alsof ze weerstand bood, maar toen ze alleen nog haar hemd en onderbroek aanhad, verontschuldigde ze zich en ging naar de badkamer om iets te doen, plassen of een pessarium indoen of wat het ook kon zijn.[1]
  2. (natuurkunde) (elektrotechniek) elektrische ~ de tegenstand die een stroom in een stroomgeleider ondervindt; de Wet van Ohm beschrijft het verband tussen spanning, stroom en weerstand
    • De grootheid weerstand (symbool: R) wordt uitgedrukt in "ohm" (symbool: Ω). 
     De meeste ontladingen vinden in de wolk zelf plaats. Maar soms is het spanningsverschil tussen de wolk en het aardoppervlak te groot en dan slaat de bliksem in. "Bij een ontlading zoeken de deeltjes elkaar op via de weg van de minste weerstand. Dat is de bliksemschicht die wij zien.[2]
  3. (natuurkunde) (elektronica) (elektrotechniek) een onderdeel dat wordt toegepast in elektrische en elektronische schakelingen
    • Ik heb een nieuw weerstandje van 100 Ω nodig, want het oude is doorgebrand. 
Synoniemen
Antoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628265
  2.   Weblink bron “Dit is waarom het vaker onweert als het warmer wordt” (Vrijdag 24 juni 2022), NU.nl
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be