(klemtoonhomogram)

  • voor·naam
enkelvoud meervoud
naamwoord voornaam voornamen
verkleinwoord voornaampje voornaampjes

vóórnaam m

  1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen voornaam voornamer voornaamst
verbogen voorname voornamere voornaamste
partitief voornaams voornamers -

voornáám

  1. van hoog aanzien in een gemeenschap.
    • Hij was een voornaam man. 
  2. van groter belang dan het meeste.
    • De voornaamste reden daarvoor was dat hij te weinig tijd ervoor had. 
     `Hij is de maître d'hôtel, maar hij prefereert de titel van majordomus, omdat het Latijnse woord voor "huis" daarin zit en omdat het volgens hem onze voornaamste taak is ervoor zorg te dragen dat onze gasten vergeten welke plek ze thuis noemden voordat ze hier kwamen.'[3]
     De CDT noch de AT stonden hoog op mijn lijst, met als voornaamste reden dat ik graag in een ander werelddeel zou willen lopen om diverse culturen mee te maken.[4]
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]