scheren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sche·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘baard afsnijden’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1] [2] [3] [4] [5]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheren
/'sxɪːrə(n)/
schoor
/sxɔːr/
geschoren
/ɣə'sxɔrə(n)/
klasse 2 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheren
/'sxɪːrə(n)/
scheerde
/sxɪːrdə/
gescheerd
/ɣə'sxɪːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

scheren

  1. overgankelijk met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
    • Hij schoor de schapen en verzamelde de wol. 
  2. wederkerend zich ~: zich de baard kort afsnijden
     Niemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.[6]
  3. inergatief rakelings over een oppervlak bewegen
    • De zwaluwen scheerden over het water van het meertje. 
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: alles over één kam scheren
alles en iedereen gelijk stellen
  • [1]: de schapen scheren
gemakkelijk grote winsten maken
  • [1]: zijn schaapjes scheren
er de winst uithalen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

scheren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord scheer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen