cavia

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·via
enkelvoud meervoud
naamwoord cavia cavia's
verkleinwoord caviaatje caviaatjes

Zelfstandig naamwoord

cavia v/m

  1. (knaagdieren) een Zuid-Amerikaans knaagdier dat vooral als huisdier gehouden wordt
    Wij hebben een cavia thuis.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gewijzigd op 12 mei 2013 om 15:16