Hoofdmenu openen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘door paarden over sneeuw voortgetrokken slee’ voor het eerst aangetroffen in 1832 [1]
  • verkorting van arrenslee [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ar arren
verkleinwoord arretje arretjes

Zelfstandig naamwoord

ar m/v

  1. een slee die door trekdieren over sneeuw of ijs getrokken wordt
    • Op de ar gleden we door de sneeuw. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
arren

ar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arren
    • Ik ar. 
  2. gebiedende wijs van arren
    • Ar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arren
    • Ar je? 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
ar ars

Zelfstandig naamwoord

  1. (tweeletterwoord) de letter r/R van het Latijnse alfabet
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Engels

aaabadaeagahaialamanarasatawaxaybabebibobydadedidoedefehelemeneresetexfafigigohahehihmhoidifinisitjokakilalilomamemimmmomumynanenonuodoeofohoiomonoporosowoxoypapepiqireshsisotatitouhumunupusutwewoxixuyayeyoza


Iers

vorm tegenwoordig verleden
voorwaardelijk
verl./voorw
voor (f+)klinker
bevestigend is ba b'
ontkennend níor níorbh
vragend an ar arbh
betrekkelijk gur(b) gur gurbh
vragend/ontkennend
betrekkelijk/ontkennend
nach nár nárbh

Werkwoord

ar + lenitie (arbh voor klinker of f + klinker)

  1. vragende voorwaardelijke of verleden vorm van het koppelwerkwoord is
vorm van
ar
op mij orm
op jou ort
op hem, erop
op haar, erop
air
uirthi
op ons orainn
op jullie oraibh
op hen, erop orthu

Voorzetsel

ar

  1. op
  2. tá ... orm: ik heb ...
    «Tá fuacht orm.»
    Ik heb het koud.
    «Tá slaghdán orm.»
    Ik ben verkouden.



Koerdisch

Lets

Portugees

Tsjechisch

Turks