1. plaatselijke markt
  • pa·sar
enkelvoud meervoud
naamwoord pasar pasars
verkleinwoord - -

de pasarm

  1. (Nederlands-Indië) plaatselijke markt
    • De loods had een aparte uitgang naar buiten, opdat de vrouwen boodschappen konden doen op de pasar. [4]
  2. (Nederlands-Indië) terrein waar de markt wordt gehouden
    • Zo was de stad na zonsondergang verboden terrein voor Javaanse handelaren. Overdag was hun territorium beperkt tot de nieuwe pasar langs de Tjiliwoeng, en mochten ze zich slechts met toestemming rond het Stadhuis en in de Herenstraat en Prinsenstraat ophouden. [5]
  3. (Nederlands-Indië) dag binnen de vijfdaagse Javaanse kalender die bepaalde wanneer er markt wordt gehouden
53 % van de Nederlanders;
22 % van de Vlamingen.[6]


  • pa·sar

pasar

  1. markt
    «Ibu pergi ke pasar untuk berbelanja.»
    Moeder gaat naar de markt om boodschappen te doen.
    «ekonomi pasar»
    markteconomie

pasar

  1. (taalkunde) met eenvoudige zinsbouw en woordkeus als in een handelstaal
    «bahasa pasar»
    pasarmaleis

pasar

  1. onbegroeid, kaalgelopen
  • Pasar jalan karena diturut, lancar kaji karena diulang.
Een pad wordt kaalgelopen doordat het wordt gevolgd, een les wordt geleerd doordat zij wordt herhaald.
Oefening baart kunst


  • pa·sar

pasar

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pasar
pasaba
pasado
volledig
  1. onovergankelijk gaan, voorbijgaan, langskomen, passeren
  2. verstrijken (van tijd)
  3. binnengaan, binnenkomen
  4. gebeuren, voorvallen, geschieden
  5. overgankelijk overbrengen
  6. geven, doorgeven
  7. doorheengaan, doorboren
  8. oversteken (bergen)
  9. overtrekken (gebied)
  10. doorwaden (rivier))
  11. voorbijgaan, achter zich laten
  12. doormaken (van tijd)