doormaken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doormaken
maakte door
doorgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

doormaken

  1. ondervinden, meemaken
    • Hij heeft de vreselijke storm doorgemaakt 
    • Hij heeft veel problemen doorgemaakt voordat hij goed werk had gevonden. 
    • De koers van het aandeel heeft de laatste jaren een positieve ontwikkeling doorgemaakt. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be