• ge·schie·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geschieden
geschiedde
geschied
zwak -d volledig

geschieden [3]

  1. ergatief werkelijkheid worden
    • Wat er ook geschiedt, we blijven bij elkaar. 
    • Dit deel van de Bijbel beschrijft de wonderen die geschiedden in deze dagen. 
  • Het werkwoord komt vrijwel alleen in de derde persoon enkel- en meervoud voor.
97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]