• hel·der
  • In de betekenis van ‘klaar, duidelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen helder helderder helderst
verbogen heldere helderdere helderste
partitief helders helderders -

helder

  1. klaar, doorzichtig
    • de vloeistof was volkomen helder 
     Ik liep door idyllische ‘Bob Ross’-landschappen met hoge witte bergen, verbonden door groene valleien met kabbelende beekjes en heldere meren.[2]
  2. duidelijk en zuiver
    • de weergave van de geluidsinstallatie was prachtig helder 
  3. met sterke glans
    • Zij werden verrast door een helder licht 
  4. niet met wolken bedekt, onbewolkt
    • de lucht was helder 
  5. getuigend van inzicht
    • Hij had het helder voor ogen 
  6. duidelijk
     Met mijn luchtbed op het grondzeil kroop ik mijn slaapzak in en keek omhoog naar de sterren in de hemel. Nog nooit had ik de Melkweg zo helder gezien. Het was adembenemend. Vanaf die dag sliep ik vaker in de open lucht.[2]
  7. schoon, proper
    • Zij is een echte heldere Neel 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]


  • hel·der

helder

  1. tegenwoordige tijd van helde

helder, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van helde


  • hel·der

helder

  1. (bijvorm) tegenwoordige tijd van halde