• ver·staan·baar
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen verstaanbaar verstaanbaarder verstaanbaarst
verbogen verstaanbare verstaanbaardere verstaanbaarste
partitief verstaanbaars verstaanbaarders -

verstaanbaar

  1. dat je wat gezegd wordt kunt begrijpen
    • Hij sprak zo snel dat hij voor mij niet meer verstaanbaar was. 
  2. dat je wat gezegd wordt kunt horen
    • Hij sprak zo zachtjes dat hij door mij niet meer verstaanbaar was. 
    • Het was verre van rustig in de Heuvels. Kleine Woord had tenminste moeite om zich voor Schoonheid verstaanbaar te maken toen hij zei: ' We moeten nog verder gaan, denk ik. [1] 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]
  1. Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 120
  2.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be