Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bleek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • In de betekenis van ‘veld om was te bleken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1520 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bleek bleker bleekst
verbogen bleke blekere bleekste
partitief bleeks blekers -

Bijvoeglijk naamwoord

bleek

  1. gering van kleur
    • Na die skivakantie hadden alle bleke gezichten weer kleur gekregen. 
  2. bloedeloos
    • De zieke zag er heel bleek uit, want de bloeddoorstroming van de huid was minder geworden. 
     Haar gezicht werd zichtbaar bleker en de onzekerheid kreeg vaste grip op haar houding.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bleken

bleek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
    • Ik bleek. 
  2. gebiedende wijs van bleken
    • Bleek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
    • Bleek je? 

Werkwoord

vervoeging van
blijken

bleek

  1. enkelvoud verleden tijd van blijken
    • Ik bleek. 
    • Jij bleek. 
    • Hij, zij, het bleek. 
Vaste voorzetsels
  • bleek uit
enkelvoud meervoud
naamwoord bleek bleken
verkleinwoord bleekje bleekjes

Zelfstandig naamwoord

bleek v/m

  1. een grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen