• be·ves·ti·gen
  • In de betekenis van ‘vastmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1410 [1]
  • afgeleid van vestigen met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevestigen
bevestigde
bevestigd
zwak -d volledig

bevestigen

  1. ditransitief iemand mededelen dat iets zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    • Van zijn moeder konden we het verhaal van deze jongeman bevestigd krijgen.[3] 
     Was zij een slechte moeder? Ze knikte om deze vreselijke stelling te bevestigen.[4]
     De bekende uitzondering die de regel bevestigt.[4]
  2. overgankelijk vastmaken
    • Het uithangbord werd met een metalen beugel aan de voorgevel bevestigd. 
     Thuis had ik een systeem in elkaar geknutseld met klittenband die de paraplu aan mijn rugzak bevestigde, waardoor ik mijn handen vrijhield voor mijn wandelstokken.[5]
     Rondom het bouwwerk waren steunen bevestigd, zodat de kinderen er naar hartenlust op konden klimmen.[4]
  3. overgankelijk overtuigender maken
    • De politieagent kon het verhaal van mijn zoontje bevestigen. 
  4. overgankelijk iemand plechtig in een rang of waardigheid installeren
    • Hij is opnieuw bevestigd in zijn ambt. 
  5. overgankelijk, (religie) een huwelijk ~: een huwelijk kerkelijk inzegenen
    • Het huwelijk wordt volgende week zondag bevestigd. 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]