Gewijzigd op 1 jan 2014 om 16:47

huis

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huis huizen
verkleinwoord huisje huisjes

Zelfstandig naamwoord

huis o

  1. een gebouw bestemd om in te wonen
    Zij wonen in een groot huis.
  2. een geslacht, verwijzing naar iemands afkomst
    Die mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.
  3. een dynastie, koninklijk geslacht
    Het huis van Oranje.
  4. een firma, eenvoudige onderneming van twee of meer personen
    Producten zijn te koop bij ons huis.
  5. een omhulsel
    Het huis van de kogel.
  6. een zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
    Het Witte Huis, het Anne Frankhuis, Huis ten Bosch, het Holland-Heinekenhuis.
Synoniemen
Hyponiemen
b
c
d
e
f
g
h
i
j
k
l
m
n
o
p
r
s
t
v
w
z
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen

huis van bewaring, huisjes melken, huisje, boompje, beestje, ouderlijk huis

Spreekwoorden
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: er is geen huis met hem te houden
  • [1]: ergens kind aan huis zijn
  • [1]: heer des huizes
  • [1]: in een glazen huis wonen
  • [1]: met de deur in huis vallen
  • [1]: ten huize van
  • [1]: van goeden huize
  • [1]: van huis en haard verdreven
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
huizen

huis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huizen
    Ik huis.
  2. gebiedende wijs van huizen
    Huis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huizen
    Huis je?

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ɦœʏ̯s/
enkelvoud meervoud
naamwoord huis huise

Zelfstandig naamwoord

huis

  1. huis

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
huir

huis

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van huir