Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • verf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kleurstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1375 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord verf verven
verkleinwoord verfje verfjes

Zelfstandig naamwoord

verf v/m

  1. (schilderkunst) de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen tegen de weersomstandigheden of te kleuren door ze van een pigmenthoudende laag te voorzien
     De verf begon net te drogen toen er een jonge man met lang haar en een grote skibril bij me kwam zitten.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Niet uit de verf komen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verven

verf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verven
    • Ik verf. 
  2. gebiedende wijs van verven
    • Verf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verven
    • Verf je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord verf verwe

Zelfstandig naamwoord

verf

  1. verf

Verwijzingen