verfwaren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • verf·wa·ren
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - verfwaren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verfwaren mv

  1. dingen die een huisschilder nodig heeft voor zijn werk
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be