opmaken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opmaken
maakte op
opgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

opmaken

  1. overgankelijk iets verbruiken tot het op is
    • De kinderen maakten al het snoep op voordat moeder thuis zou komen. 
  2. overgankelijk iets concluderen, begrijpen
    • Uit wat de verdachte zei, kon de politie niets opmaken. 
     Ik riep omlaag om te horen of alles in orde was, maar door de wind was het te onduidelijk om te kunnen opmaken wat ze terug schreeuwden.[1]
  3. wederkerend make-up aanbrengen
    • De meisjes maken zich voor de spiegel op. 
     Ze was niet of heel licht opgemaakt, zoals haar gewoonte was, behalve dan dat ze speciaal voor de gelegenheid Ferrarirode lippenstift had opgedaan.[2]
  4. overgankelijk, (typografie) een tekstdocument opstellen of vormgeven
    • De vormgevers van de krant maken de gekozen artikelen op. 
  5. overgankelijk iets klaarmaken
    • Zijn moeder was zijn bed nog aan het opmaken. 
     De strak opgemaakte kamer wist ik in no time te transformeren tot een stinkende rotzooi.[1]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 25
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be