eerlijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eer·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eerlijk eerlijker eerlijkst
verbogen eerlijke eerlijkere eerlijkste
partitief eerlijks eerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

eerlijk

  1. (juridisch) vrij van leugen en bedrog
    • Wees eerlijk en vertel de waarheid! 
  2. op een gepaste, eervolle wijze

Bijwoord

  1. op een gepaste, eervolle wijze
     Ik vertelde hem eerlijk dat ik geen kracht meer had om de pas over te steken en dat ik het erg fijn zou vinden om het de volgende ochtend samen met hem te doen.[3]
    • Opdat het spel eerlijk zou verlopen, hield een opzichter hen in de gaten. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Eerlijk(heid) duurt het langst.

  • Uiteindelijk word bedrog toch gestraft.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

Meer informatie