buitenkant

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenkant buitenkanten
verkleinwoord buitenkantje buitenkantjes

Zelfstandig naamwoord

buitenkant m

  1. het uitwendige van iets
    • ‘Een jaar geleden hebben mijn vriend en ik een klushuis gekocht. In twee maanden hebben we het woonklaar gemaakt en nu knappen we het in etappes op. De afgelopen winter hadden we lekkage, dus toen waren we daar aardig wat geld aan kwijt. Nu is de buitenkant aan de beurt. We hebben veel gedaan met de hulp van onze vaders, familie en vrienden, maar buiten moet alle verf van de kozijnen en dat is best veel werk, dus dat laten we lekker doen. Al met al ben je steeds grote bedragen kwijt. Zo moest de achterdeur voor 1.195 euro op maat worden gemaakt, wordt dadelijk het balkon vervangen voor 2.200 euro en zijn we voor het schilderwerk aan de buitenkant straks 3.600 euro kwijt.[1] 
     Met een lange dolk bracht hij een groot stuk slang naar me toe. Dankbaar pakte ik het aan en nam voorzichtig een hap om te proeven hoe het smaakte. De zwart verkoolde buitenkant omhulde zacht, wit vlees. Het duurde even voordat ik de smaak kon plaatsen. Het leek op een soort combinatie van kip, vis en kauwgom met opvallend veel kleine graatjes.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Liza Titawano NRC 15 juni 2016
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be