binnenkant

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenkant binnenkanten
verkleinwoord binnenkantje binnenkantjes

Zelfstandig naamwoord

binnenkant m

  1. de zijde die in een bepaalde afgeschermde ruimte gelegen is
    • De binnenkant van dit vat is beschermd tegen corrosie met een speciale verflaag. 
    • De binnenkant van de jas ik van bont terwijl de buitenkant waterafstotend is. 
  2. het geestelijke leven van een persoon
     'Alleen qua uiterlijk was het Jeroen.' De binnenkant deed niet meer mee. De blik in zijn ogen was leeg.[1]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be