afspraak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afspraak afspraken
verkleinwoord afspraakje afspraakjes

Zelfstandig naamwoord

afspraak v/m

  1. een met elkaar afgesproken belofte
    • Er viel geen afspraak met hem te maken. 
     ‘Ik weet eigenlijk wel zeker dat hij diep in zijn hart had gehoopt dat zijn moeder hem tegen de afspraken in zou bellen.[2]
  2. een overeenkomst om elkaar te ontmoeten
     Hoewel het bij mijn oudste dochter soms lastig was om een afspraak in haar drukke tieneragenda in te plannen, reden we samen naar Groningen om in mijn oude studentenhuis te logeren en zijn we bezig met een tour om in elke provincie een biefstuk te eten.[3]
     In afspraakjes waar claims over een gebroken voet of tijdens de vakantie opgelopen rugklachten ter sprake komen heb ik geen trek.[2]
  3. date
    • De jongen maakte een afspraakje met het leuke meisje. 
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. afspraak op website: Etymologiebank.nl
  2. 2,0 2,1 Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be