Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoot
enkelvoud meervoud
naamwoord stoot stoten
verkleinwoord stootje stootjes

Zelfstandig naamwoord

stoot m

  1. een kracht van korte duur die tegen iets of iemand aan wordt uitgeoefend
    • Hij gaf hem een flinke stoot. 
  2. een kortdurende dosis
     Er schoot een stoot adrenaline door mijn lijf en ik bleef doodstil staan.[1]
  3. (Zuid-Nederlands) een ongelooflijke en vaak toevallige gebeurtenis
Uitdrukkingen en gezegden
  • horten en stoten
met schokken vooruitgaan
 Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stoten

stoot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van stoten
  2. gebiedende wijs van stoten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron “Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)” (24 juni 2022), NU.nl
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be